
- Lente
- Pasen
- Moederdag
- Winter
- Baby
- Dieren
- Huis
- Jungle
- Mijn lichaam
- Prinsen & prinsessen
- Sprookjes
- Ridders & kastelen
- Supermarkt & eten
- Tellen & feest
- Toveren & heksen
- Verkeer
- Water
- Ziek zijn
- Dagritmekaarten
- De gekke 5 minuten
- Extra uitdaging
- Gym- en spellessen
- Invallen doe je zo!
- Logopedie
- Liedjes en versjes
- Taalactiviteiten
- Rekenactiviteiten
- Speciale dagen
- Stagetips
Zoeken op de site:
» Rekenactiviteiten
Tel- en rekenliedjesEén aapje in de slagroom
Eén aapje in de slagroom
twee beren vol met zeep
drie geiten in een pudding
vier zebra's zonder streep
vijf neushoorns met een feestneus
zes wolven in de trein
en zeven dikke kikkers die snipverkouden zijn.
Acht zingende giraffen
wel negen kangoeroes
en toen gestampte muisjes
die dansen voor de poes
en zing je vaak dit liedje
dan leer je bovendien
eenvoudig alle cijfers
van één, twee, drie tot tien!
Tel eens...
Tel eens hoeveel sprietjes je kunt vinden in het gras
tel eens hoeveel druppels je kunt vangen in een glas
tel eens hoeveel sterren boven aan de hemel staan
en hoeveel mensen snurken als ze 's avonds slapen gaan.
Tel eens alle korrels in een schepje vol met zand
tel eens hoeveel schelpjes je kunt vinden op het strand
tel eens hoeveel mieren kunnen wonen in een hoop
dan raak je bij het tellen echt ontzettend in de knoop.
Uit: Het grote liedjesboek
Van één tot tien - versje
Eén konijntje met zijn oren in de knoop
twee kabouters met hun billen in de stroop
drie slakken op een hoofd met weinig haar
vier sappige augurken in een oude kandelaar.
Vijf bakkers met een kikker in hun brood
zes dames met een monster op hun schoot
wel zeven beren op een rode autoped
en acht Bengaalse tijgers in een super-stapelbed.
Negen spinnen in de zakken van je jas
tien blote krokodillen in het gras
en wanneer je dit straks zingen gaat in bad
dan heb je alle cijfertjes van één tot tien gehad!
Uit: Het grote versjesboek
Cd met rekenliedjes: "Rondje rekenliedjes" van uitgeverij Zwijsen. Vooral geschikt voor de groepen 3 en 4.
Aftelliedjes en -versjes
7 Kleine geitjes
7 Kleine geitjes alleen in huis
daar komt de wolf en moeder is niet thuis
hap, hap, hap, wat een pech
geitje nummer 1 is weg!
6 Kleine geitjes alleen in huis
daar komt de wolf en moeder is niet thuis
hap, hap, hap, wat een pech
geitje nummer 2 is weg!
5 Kleine geitjes... enz.
1 Klein geitje alleen in huis
daar komt de wolf en moeder is niet thuis
maar nu heeft de wolf verdriet,
't laatste geitje vindt hij niet!
10 Kleine visjes
10 Kleine visjes die wilden naar de zee
da's goed zij de moeder, maar ik ga niet mee
ik blijf liever in die vieze oude sloot,
want in de zee zwemmen haaien en die bijten je
blub, blub, blub, blub, blub, blub.
9 Kleine visjes die wilden naar de zee
da's goed zij de moeder, maar ik ga niet mee
ik blijf liever in die vieze oude sloot,
want in de zee zwemmen haaien en die bijten je
blub, blub, blub, blub, blub, blub.
8 Kleine visje... enz.
1 Klein visje dat wilde naar de zee
da's goed zei de moeder, maar ik ga niet mee
ik blijf liever in die vieze oude sloot
want in de zee zwemmen haaien en die bijten je... BLUB!
5 Kaboutertjes
5 Kaboutertjes die dansten in het bos
één gaat er weg, op visite bij de vos.
4 Kleine kaboutertjes die dansten in het bos
één gaat er weg, om te slapen in het mos.
3 Kleine kaboutertjes die dansten in het bos
één gaat er weg, want zijn vetertje zit los.
2 Kleine kaboutertjes die dansten in het bos
één gaat er weg, want die werd moe van dat gehos.
1 Kleine kaboutertje danst nu helemaal alleen
hij kruipt vlug in zijn paddenstoel
en nu zie je er geen één.
De rondedans van de konijntjes
Op de wijs van: Ik stond laatst voor een poppenkraam
Er waren vier konijntjes, zo, zó klein
zij maakten samen een rondedans, piek, piekfijn
konijntje vier, kom jij eens hier
en doe eens wat voor ons plezier
(één kind maakt een beweging)
Toen waren er nog drie (3x).
Er waren drie konijntjes, zo, zó klein
zij maakten samen een rondedans, piek, piekfijn
konijntje drie, kom jij eens hier... enz.
Tips voor beginnende gecijferdheid en het aankleden van je lokaal
- Zorg voor veel getallen in en om je lokaal. Maak een "getallenlijn" met in ieder geval de getallen t/m 10 en hang losse getallen op in het lokaal. Hangen er 2 schilderijen naast elkaar aan de muur? Hang daar dan het getal 2 bij. Heb je 10 kapstokken aan één muur, hang daar dan het getal 10 bij, het je 5 plantjes voor het raam staan, hang daar dan het getal 5 bij enz. Zo is er vanalles te nummeren en te tellen!
- Integreer getallen in de hoeken. Denk aan het prijzen van spullen in het winkeltje, een klok in de huishoek, een agenda in de huishoek etc.
- Zorg voor voldoende gezelschapsspelletjes in je klas. Zo leren de kinderen getalbeelden op dobbelstenen herkennen en stappen zetten (tellen) op een spelbord.
- Zorg voor veel variatie in je zand- en watertafel. Maak eens een zand-/ of watertafel met allerlei soorten maatbekers erin of een zandtafel die gericht is op het wegen van zand.
- Start de kring af en toe met een getallenopdracht. Bijvoorbeeld: pak je stoel en ga op volgorde van leeftijd zitten. Of geef de kinderen allemaal een getal in de hand en geef de opdracht dat ze op volgorde moeten gaan zitten. Geef de oudste kleuters hogere getallen en de jongste kleuters de makkelijkere getallen of kaartjes waarop bijv. 5 ballonnen staan voor het getal 5.
Rekenactiviteiten
Tellen en getalbegrip
De leerlijn voor tellen:
- akoestisch tellen (= hardop tellen, bijv. in een versje)
- synchroon tellen (= de telnamen gelijktijdig met het één voor één aanwijzen van de voorwerpen opnoemen)
- resultatief tellen (= het tellen van een aantal voorwerpen met als doel de hoeveelheid van dit aantal te bepalen)
- verkort tellen (= een vorm van resultatief tellen waarbij alle voorwerpen niet meer één voor één geteld worden)
Robbie de rover
Deze activiteit kan in de kring gedaan worden, met een groepje kinderen of in tweetallen.
Leg een aantal blokjes op tafel of in de kring. Wijs een rover aan. De kinderen doen de ogen dicht. De rover haalt een aantal blokjes weg. Hoeveel blokjes zijn verdwenen?
In plaats van blokjes kunnen ook andere materialen gebruikt worden, die aansluiten bij het thema waar je op dat moment mee bezig bent.
Telefoonnummers in de kring
Alle kinderen in de kring krijgen, op volgorde, een nummer toegewezen. Dit kan één kind doen. De kinderen moeten hun nummer goed onthouden. Dan wordt er één kind gebeld. Dat kind mag gaan staan en een kort gesprekje voeren. Daarna wordt er een ander nummer gebeld. Als er niets gebeurt, kunnen de kinderen gaan tellen wie er op had moeten nemen. Hoe tellen de kinderen? Beginnen ze vooraan bij nummer 1? Tellen ze door of weten ze dat hun buurman/buurvrouw dat nummer heeft?
Dan mag een ander kind de nummers uitdelen. Het kind moet bij iemand anders beginnen. Hé, nu heb je weer hetzelfde aantal nummers, hoe kan dat?? En wat gebeurt er als er iemand weg gaat? Of als er 2 kinderen weg gaan?
Nu geven we de eerste persoon wel telkens nummer 1, maar er gaat een kind weg. Wat gebeurt er? Vanaf waar worden de nummers anders? Hoeveel nummers hebben we minder?
7 Zoete zuurtjes in een fles
Nodig: een doorzichtige fles of pot en 10 zuurtjes.
Stop 7 zuurtjes in de fles/pot. Vraag de kinderen hoeveel ze denken dat erin zit. De kinderen moeten schatten. Ze mogen (nog) niet aan de fles komen. Waarom denken de kinderen dit? Kan het ook 100 zijn? Nee, waarom niet? Kan het dan 1000 zijn? Hoeveel zou dat zijn?
Hoe kunnen we nu echt tellen of het er ..... zijn? (Uit de fles halen).
Stop de zuurtjes één voor één terug in de fles. Tel ze met de kinderen. Lees daarna het volgende versje voor:
Zeven zoete zuurtjes in een fles,
maar ééntje rolde in de goot, nu zijn het er nog maar...
Zes zoete zuurtjes. Daar kwam een heel oud wijf,
die heeft er eentje weggepikt. Toen waren er nog...
Vijf zoete zuurtjes. Toen kwam mijn nicht Marie,
die heeft er twee gekregen. Toen waren er nog...
Drie zoete zuurtjes. Toen kwam de kruidenier,
die bracht voor mij een zuurtje mee, toen waren er weer...
Vier zoete zuurtjes, en toen kwam tante Mien,
die deed zes zuurtjes in de fles en toen waren het er...
Tien zoete zuurtjes, ik at ze allen op,
nu is het hele flesje leeg. Nou heb ik er geeneen.
Laat de kinderen het raadseltje iedere keer oplossen en de handeling uitvoeren.
Tenslotte heb je 10 zuurtjes uit de fles gehaald. Hiermee kun je een afsluitend spelletje spelen. Leg de 10 zuurtjes in de kring. De kinderen doen de ogen dicht. Haal een paar zuurtjes weg. Hoeveel zijn er weg? Hoe weten de kinderen dat? Laat de verschillende manier van rekenen/tellen aan bod komen.
Verdelen
Met verdelen zijn ook allerlei leuke opdrachtjes te bedenken. Denk aan het verdelen van een chocoladereep. Is er genoeg voor de hele klas? Waarom wel/niet? Hoeveel blokjes zijn er? Hoe kun je de reep eerlijk in tweeën verdelen? Nu zijn er 3 kinderen. Hoeveel krijgen ze elk? En als er 5 kinderen zijn?
Als ik het zo verdeel, is dat dan eerlijk? Wie heeft er meer/minder? Wat is het meest?
In de winter is het leuk om een broodkorst in stukjes te breken. Ik heb 1 broodkorst, maar er zijn 10 vogeltjes die honger hebben. Hoe lossen we dat op? Laat de kinderen vanalles bedenken. Als een kind met breken komt, vraag je hoe je dat dan eerlijk kunt doen? Eerst in 2 stukken etc.
Als je 10 stukjes hebt: en wat nou als er 20 vogeltjes komen? Kunnen alle kinderen in de klas ook een stukje brood krijgen? Hebben we dan genoeg. Probeer het maar uit! Geef iedereen een stukje en kijk of het genoeg is. Wie heeft er meer? Wie heeft er niks? etc.
Het rekenmonster
Knutsel van een schoendoos een leuk rekenmonster met een slurf van een wc-rol.
Het monster heeft zo'n honger! Kunnen de kinderen hem 5 .....(bijv. macaroni) geven? En dan nog 1? Hoeveel zit er nu in zijn buik? En als je er nog 1 bij doet? Nu wil het monster 10 dingen in zijn buik hebben. Hoeveel moet er nog bij?
Bedenk op die manier allerlei eenvoudige "sommetjes".
Dropjes tellen
Leg 2 rijen van 10 dropjes op tafel. Kunnen de kinderen al synchroon tellen? Laat ze maar eens tellen hoeveel dropjes er liggen. Kunnen ze ook al resultatief tellen? Tel de eerste rij dropjes en vraag even later hoeveel dropjes er in totaal liggen. Beginnen de kinderen eerst opnieuw bij rij 1 of tellen ze door vanaf rij 2?
De reus en kabouter in het getallenbos
In het getallenbos wonen een reus en een kabouter. De kabouter is klein en kan niet zo snel lopen. Hij zet kleine stapjes. 1, 2, 3, 4 enz. Loop door het bos en speel de kabouter. Wie kan dat ook? Wie kan tot 10 lopen? En weer achteruit, terug naar je huisje? Wie kan tot 20 lopen? Wie kan vanaf 5 verder lopen? etc.
Dan komt de reus. Boem, boem, boem. De reus loopt met grote stappen door het bos. Beeld de reus uit. De reus loopt met sprongen van 2, 5 of 10. Ligt eraan wat het niveau van de kinderen is. 2, 4, 6, 8, 10, daar komt de reus. Wie kan dat ook? En kun je ook verder gaan vanaf 4? enz. Laat de kinderen maar lopen!
Spelen met cijfers
Geef alle kinderen een kaartje met een cijfer erop. Bijvoorbeeld van 1 t/m 20. Als een getal te moeilijk is voor een kind, zeg je welk cijfer het kind heeft. Nu moeten de kinderen met hun cijfer in de kring komen zitten. Jij wilt cijfer 1 naast je hebben en cijfer 20. Laat de kinderen het maar regelen. Zou het lukken?
In de kring kun je allerlei spelletjes met de cijfers doen. Bijvoorbeeld de cijfers op volgorde in de kring leggen en er telkens één wegpakken wanneer de kinderen de ogen dicht hebben. Welk cijfer is weg?
Hoe oud ben jij?
Alle kinderen krijgen de opdracht in de klas iets te zoeken wat laat zien hoe oud ze zijn. Ze mogen niks opschrijven!
De kinderen zullen met dingen komen zoals:
5 voorwerpen
6 stippen op een dobbelsteen
het getal 6 op je trui
5 blokken uit de bouwhoek
het getal 5 aan de cijfermuur enz.
Daarna kun je met deze getallen een activiteit doen, zoals vergelijken op welke manieren je een hoeveelheid aan kunt geven (aantal, cijfer).
Getaldozen
Kies het getal waar je de getaldoos van wilt maken. In dit voorbeeld is dat 4. Neem een kleine schoendoos en teken hier vier stippen op met daarnaast het cijfer 4. Zoek kleine spullen om in de getaldoos te doen. Dit moeten er telkens 4 zijn: 4 kralen, 4 wasknijpers, 4 ballonnen, 4 kaartjes, 4 blokken enz.
Gooi de doos om in het midden van de kring. Laat een kind iets pakken en de dingen die hetzelfde zijn zoeken. Zo heb je er telkens 4.
Hoger niveau: Maak een doos van 4 en een doos van 6. Zorg ervoor dat er in de doos een paar dingen hetzelfde zijn, maar ook veel dingen anders. Stel: er zitten in beide dozen rietjes. Gooi beide dozen om op tafel. Nu heb je niet 4 of 6 rietjes, maar 10 rietjes!! Vraag de kinderen hoe je dit op kunt lossen. Ze kunnen niet alle 10 in één doos!
Zo kun je meer variaties bedenken en dozen maken voor de getallen 1 t/m 10.
Tellen met de trom
De leerkracht heeft de trom vast. De kinderen tellen mee op het ritme van de trom. Sla eerst telkens 5 keer. De kinderen tellen mee. Begin met een normaal tempo, sla daarna heel snel of heel langzaam, heel hard of heel zacht. Het tellen van de kinderen wordt daarop aangepast.
Daarna kun je tot 10 gaan tellen. Wanneer dat goed gaat tot 15 en misschien zelfs tot 20!
Kunnen de kinderen ook afwisselend hard en zacht tellen? De 1 heel hard, de 2 zacht, de 3 hard, de 4 zacht enz.
Spelletje: de kinderen doen de ogen dicht. De leerkracht slaat een aantal keer op de trom. Hoe vaak is er geslagen?
De straat van 10
Maak met de kinderen een straat van 10. Hierbij is zoveel mogelijk 10: 10 huizen in de straat, de huizen zijn gebouwd van 10 blokken, 10 auto's, 10 bewoners, 10 bloemen in elke tuin, 10 bomen in een tuin, 10 kippen in een tuin, 10 struiken in de berm, 10 strepen op de weg enz. enz.
Geef de kinderen rekenopdrachten bij deze straat. Rekenopdrachten met optellen en aftrekken tot 10, het maken van bouwtekeningen, het natekenen van de huizen, het maken van groepjes, turven enz.
Als er een tijdje met de straat van 10 gewerkt is kan de straat omgetoverd worden tot een straat van 20. Doe alsof de burgemeester de kinderen een brief heeft geschreven waarin hij om uitbreiding van de stad vraagt. De huizen moeten groter worden en de straat moet verlengd worden. Nu kun je allerlei opdrachten bedenken rondom het rekenen tot 20.
Rangtelwoorden
Zorg voor 5 kopjes of bekers (koffiekopjes uit de personeelskamer bijv.).
Zet de kopjes of bekers in de kring. Hoeveel zijn het er? Zet ze in een rij. Spreek met de kinderen af welke de eerste is, welke de tweede enz.
Nu moeten de kinderen de ogen dicht doen. Jij verstopt iets onder één van de kopjes. De kinderen mogen weer kijken. Vraag wie denkt dat het voorwerp onder het eerste kopje zit? Wie denkt onder het tweede kopje? Wie denkt onder het derde? etc.
Of vraag een kind onder welk kopje hij/zij denkt dat het voorwerp zit. Zo oefenen de kinderen de rangtelwoorden.
Meten
Meten: getallen aan de ruimte plakken / met getallen omgaan.
Seriëren = op volgorde leggen, ordenen van bijv. groot naar klein
Classificeren = verzamelen op kenmerk
Ordenen = groepjes maken
Seriëren
Verzamel een aantal voorwerpen van verschillende grootte. De kinderen moeten ze op volgorde leggen, bijv. van groot naar klein of van klein naar groot of van dik naar dun en van dun naar dik etc.
Dit kan ook gedaan worden met het speelleermateriaal "Seriant".
Classificeren en ordenen van logibloks
Nodig: logibloks
Bespreek aan de hand van logibloks verschillende vormen en kleuren. Vraag de kinderen welke vorm ze zien en leg uit waarom de vorm zo heet: een driehoek heeft drie hoeken, tel maar mee!
Leg een aantal hoepels in de kring. Leg daar een paar logiblokken in, bijvoorbeeld in elke hoepel een andere kleur. Vraag de kinderen hoe de blokken gesorteerd zijn en laat ze er blokken bij leg. Laat de kinderen telkens de kleur benoemen.
Daarna sorteer je de blokken op vorm, grootte of dikte en laat de kinderen er weer blokken bijleggen.
De logiblokken liggen in de hoepels. Geef de kinderen opdrachten: breng mij een blauw vierkant, pak 2 cirkels, geef iets roods, zet je voet op een rode blok, leg je elleboog op een geel vierkant, raak met je duim een blauwe cirkel aan enz.
Zoek iemand die... met logibloks
Een leuke start of juist afsluiting van een activiteit met de logibloks:
Geef alle kinderen uit de groep een logiblok. Geef ze vervolgens de opdracht iemand te zoeken die hetzelfde kenmerk van logiblok heeft als zij zelf. De leerkracht bepaalt het kenmerk, op vorm, op kleur of op dikte. Dus geef de opdracht: "zoek iemand die dezelfde vorm heeft als jij en ga bij elkaar staan". De kinderen gaan op zoek en langzaam ontstaan er groepjes kinderen met hetzelfde kenmerk. Misschien hebben 2 kinderen hetzelfde, misschien wel 4. Als alle kinderen een maatje of meerdere maatjes gevonden hebben, kijk je met de hele groep of het klopt. Iedere groep mag zijn kenmerk noemen en laten zien.
De schoenenwinkel
Laat alle kinderen de schoenen uitdoen en leg ze op een grote hoop. Doe nu allerlei activiteiten met de schoenen. Ga ze bijvoorbeeld tellen en kom dan tot de conclusie dat er iets niet klopt. Er zitten 20 kinderen in de klas en er liggen 40 schoenen? Dat kan toch helemaal niet! Weten de kinderen hoe dit kan?
Hoeveel veterschoenen liggen er? Hoeveel paar veterschoenen zijn dat?
Hoeveel laarsjes liggen er? Hoeveel schoenen met klittenband en hoeveel sandalen? enz. Classificeer door de schoenen op kenmerk bij elkaar te leggen.
Na het tellen kun je de schoenen met de kinderen gaan seriëren. Welke schoenen zijn groot of hoog? Welke schoenen zijn kleiner of laag? Maak rijtjes van hoog naar laag of van groot naar klein. Hiervoor moeten de kinderen de schoenen goed tegen elkaar houden en meten welke het grootst is of welke het kleinst.
Tenslotte mogen de kinderen de paren schoenen bij elkaar zoeken zodat alles weer klopt.
Als afsluiting is een raadspelletje leuk. Je beschrijft een paar schoenen en de kinderen moeten raden over welk paar jij het hebt of je houdt een paar schoenen omhoog en de kinderen moeten raden van wie dit paar is. (De eigenaar mag uiteraard niks verklappen!)
Meet de school
Vertel de kinderen een verhaaltje als inleiding op deze activiteit. Bijvoorbeeld dat er een schilder komt die wil weten hoe groot de school is, omdat hij de buitenmuur gaat verven.
Hoe kun je weten hoe groot de school is? Hebben de kinderen een idee? Verzamel ideeën en ga ze uitproberen! Bijvoorbeeld een lange rij van kinderen maken, tegen de muur aan gaan staan en kijken hoe ver je komt. Een bol wol pakken, deze helemaal uitrollen en kijken of hij om de school heen past. Lukt dit? Hoeveel kom je te kort? Lukt het met 2 of 3 bollen wol?
Stappen zetten om de school, tellen hoeveel stappen je zet.
Als de school heel groot is kun je een deel nemen, bijv. een stuk buitenmuur van het eigen klaslokaal, een schuurtje e.d.
Meten in het klaslokaal
Laat de kinderen vanalles in het klaslokaal opmeten met behulp van een stuk touw, een liniaal, hun handen etc.
Wat hebben ze gevonden wat heel lang was? Wat was kort? Wat is ongeveer net zo lang als 3 handen? Wat als 1 hand? Wat als 10 handen?
Meet jezelf
Meet de kinderen in de klas. Zet ze naast elkaar, maak een rij van groot naar klein, laat de kinderen schatten wie het grootst is etc.
Plak een stuk behang tegen bijv. een deur en laat alle kinderen er tegenaan staan. Zet een streepje bij hoe groot het kind is + de naam van het kind. Zo zien te kinderen op één vel de hele klas en kunnen ze vergelijken.
Het tovertouw
Zorg voor een touw van een meter of 5 lang (bijvoorbeeld een springtouw).
Het touw ligt in de kring. Je vertelt dat je 's morgens wakker werd en dat het touw naast je bed lag. Er zat een briefje bij, waarop stond dat het touw een tovertouw is. Het touw kan praten als je het levend maakt!
Daarvoor moet je de volgende toverspreuk zeggen:
1 Stap naar voren, 2 stapjes terug
kruip onder het touw door en dan weer terug
touw, touw, tovertouw, spreek je nou?
Laat één leerling tijdens dit versje onder het touw doorkruipen.
Het touw begint te praten en doet allerlei uitspraken m.b.t. meten, zoals:
- ik wed dat ik langer ben dan de juf/meester
- ik wed dat ik langer ben dan alle kinderen uit de klas op een rij
- ik wed dat ik om het rode groepje heen kan
- ik wed dat ik langer ben dan de verwarming
- ik wed dat ik om de hele school heel kan
- ik wed dat ik om de zandtafel heen kan etc.
Vraag de kinderen hoe we dit te weten kunnen komen. Laat een paar kinderen vervolgens meten. Lok zo allerlei meetactiviteiten uit.
Als afsluiting kun je vragen hoe lang het touw zou zijn. Hoe kun je dat weten?
In mijn klas kwamen de kinderen met ideeën als: meten met een liniaal, meetlat e.d. Er naast gaan liggen, 2 kinderen ernaast leggen, de juf ernaast leggen. Eén kind wist hoe lang ze was. Dit kind ging naast het touw liggen met een kind dat ong. even groot is.
Het touw meten met stappen.
Meetkunde
Meetkunde: ruimtelijk inzicht
Oriënteren en lokaliseren
In de dierentuin
Zorg voor enkele plattegronden van een dierentuin of pretpark. Je kunt de kinderen ook zelf een plattegrond laten tekenen. Laat de kinderen een route tekenen in de plattegrond. Stel vervolgens vragen over de routes. Langs welke dieren/attracties kom je? Hoe lang zou het duren om jouw route te lopen? Wie heeft de kortste route, wie de langste? Hoe ver is het van… naar … Kom jij langs de …… als je de route volgt? Hoe kun je het snelst van …… naar ……? Etc.
Een route door de klas
Geef een kind aanwijzingen of laat de kinderen elkaar aanwijzingen geven voor het lopen van een route door de klas. Bijv.: zoek de kortste route naar de deur. Loop naar het bureau via de taalkast, langs hoeveel hoeken kom je als je naar de wasbak loopt? Loop de langste route naar de gang… etc.
Geef de kinderen de opdracht een plattegrond van de klas te tekenen.
Een plattegrond in de bouwhoek
Vaak heeft een kind iets gemaakt in de bouwhoek wat hij/zij graag wil laten staan. Je kunt hier een foto van maken ter inspiratie voor andere kinderen die later in de bouwhoek komen.
Ook kun je het kind vragen zijn bouwwerk te tekenen. Het kind maakt dan een plattegrond van zijn eigen bouwwerk. Ook kleuters kunnen al een eenvoudige tekening maken van hun werk.
Hang de plattegronden in de bouwhoek.
Blindemannetje
Blinddoek één kind. Dit kind gaat een route door de klas lopen. Vraag het kind van tevoren waar het graag naartoe geleid wil worden.
Vervolgens gaat het kind lopen. De kinderen in de klas mogen het kind niet vastpakken, maar geven mondelinge aanwijzingen, bijv. naar voor, links, rechts, naar achter, omlaag.
Maak tweetallen. Van elk tweetal doet één kind de ogen dicht of wordt één kind geblinddoekt. Het ene kind leidt de ander naar de afgesproken plaats.
In huis
Kamers in huis
Verzamel spullen die in een bepaalde kamer in huis thuishoren, zoals bestek uit de keuken, een das uit de hal, een wekker uit de slaapkamer enz.
Praat met de kinderen over de verschillende kamers in huis. Laat de kinderen vertellen over hun eigen huis. Hoe ziet hun huis eruit? Welke kamer vinden ze het mooist/leukst? Hebben ze thuis een zolder of kelder? Zijn alle huizen hetzelfde?
Leg vervolgens alle voorwerpen die je verzameld hebt op tafel of laat de kinderen ze één voor één uit een tas halen. Wat is het? In welke kamer hoort het volgens jou thuis? Sorteer de voorwerpen. Leg ze bij de juiste kamer. Sommige voorwerpen zullen niet voor alle kinderen in dezelfde kamer thuishoren. Praat hierover.
Als alle voorwerpen een plekje gekregen hebben, kun je een spelletje doen over het huis, bijvoorbeeld enkele raadsels.
Geluiden in huis
Neem geluiden op in huis. Zorg dat je geluiden uit allerlei kamers hebt, zoals de telefoon, de waterkoker, de computer, de wekker, een hamer, de klok, de tv, spelende kinderen enz. Laat de kinderen raden uit welke kamer het geluid komt. Gebruik hier eventueel een praatplaat van het huis bij, waar de kinderen naar kunnen kijken terwijl ze luisteren. Sommige geluiden kun je in meerdere kamers horen.
Ruimtelijke oriëntatie lotto
Groepeer de kaartjes van de ruimtelijke oriëntatie lotto in de kring. Op deze kaartjes staan plaatjes die voor, achter, onder, boven en in voorstellen. Laat telkens één kaartje zien, bespreek met de kinderen wat dit is (de kip staat voor het hek) en leg het kaartje in de kring. Zo ontstaan er 5 groepjes met kaartjes in de kring.
Vervolgens geef je alle kinderen één kaartje in hun hand. Geef de opdracht: zoek de kinderen die hetzelfde kaartje (begrip) als jij hebben. Nu gaan de kinderen zelf op zoek en maken ze groepjes die op, in, onder etc. vertegenwoordigen.
Blokkenbouwsels (innemen van een standpunt)
Midden in de kring staan enkele blokkenbouwsels opgesteld. De kinderen kijken uit hoeveel blokken de bouwsels bestaan. Wat denken de kinderen? Hoe komt het dat er verschillende antwoorden zijn? Laat de kinderen vertellen hoe ze geteld hebben. Vervolgens zoek je met de groep een manier om de blokken makkelijker te tellen (uit elkaar halen). Nu kun je goed zien hoeveel blokken het zijn.
Zo kunnen er meerdere bouwsels gemaakt worden en vragen gesteld worden.
Bekijk de bouwsels met de kinderen van verschillende kanten. Hoeveel blokken staan er bij jou voorop? En hoeveel bij jou? Ook dit kan verschillen.
Tenslotte is het volgende spelletje leuk om te doen: leg 10 blokken naast elkaar, een stukje uit elkaar, in de kring. De kinderen doen de ogen dicht. Jij haalt een blok weg. De hoeveelste blok is weg? De eerste, de tweede, de derde... ? Spreek wel even met de kinderen af welk blok nummer 1 is en welke nummer 10!
De fotograaf
Voorbereiding: maak verschillende foto’s van dingen/hoeken in je klas of van plekken in en rondom de school.
De kinderen moeten via redeneren en voorstellen uitzoeken waar de fotograaf moet hebben gestaan om de foto te maken.
Bouwen met blokken
Nabouwen
Leg enkele plattegronden van eenvoudige bouwwerken in de bouwhoek. De kinderen kunnen deze nabouwen. Zorg ook voor foto’s van gebouwen die ter inspiratiebron kunnen dienen.
In groep 3 kun je werken met plattegronden met hoogtegetallen.
Op o.a. deze site vind je bouwplattegronden. Je moet wel lid zijn van de Community 12.
http://digischool.kennisnet.nl/community_po12/abcvandesite/bouwen
Bouwen met aanwijzingen
Dit spelletje wordt door 2 kinderen gespeeld. Zorg voor 2 werkplekken en een tussenschot.
Eén kind maakt een eenvoudig bouwwerkje van maximaal 5 blokken. Het andere kind mag dit niet zien. Vervolgens gaat het kind wat een bouwwerk gemaakt heeft omschrijven hoe zijn/haar blokken staan. Het andere kind heeft ook 5 blokken en probeert aan de andere kant van het tussenschot hetzelfde bouwwerk te maken. Lukt dit?
Hoeveel blokken?
Midden in de kring staan enkele blokkenbouwsels opgesteld. De kinderen kijken uit hoeveel blokken de bouwsels bestaan. Wat denken de kinderen? Hoe komt het dat er verschillende antwoorden zijn? Laat de kinderen vertellen hoe ze geteld hebben. Vervolgens zoek je met de groep een manier om de blokken makkelijker te tellen (uit elkaar halen). Nu kun je goed zien hoeveel blokken het zijn.
Zo kunnen er meerdere bouwsels gemaakt worden en vragen gesteld worden.
Tenslotte is het volgende spelletje leuk om te doen: leg 10 blokken naast elkaar, een stukje uit elkaar, in de kring. De kinderen doen de ogen dicht. Jij haalt een blok weg. De hoeveelste blok is weg? De eerste, de tweede, de derde... ? Spreek wel even met de kinderen af welk blok nummer 1 is en welke nummer 10!
Opereren met vormen en figuren
Wat voor een doosje is dit?
Zoek van verschillende vormen doosjes telkens 2 dezelfde (bijv. 2 pakken hagelslag, 2 kleine doosjes thee). Haal 1 doosje uit elkaar, zodat je de uitslag van het doosje hebt. Het andere doosje laat je heel. Zet alle doosjes in de kring en leg de uitslagen er op z’n kop bij (anders zien de kinderen aan het opschrift al wat er in het doosje zat). Bij welk doosje hoort welke uitslag? Dit gaan we samen met de kinderen onderzoeken. Welk doosje zou bij deze uitslag passen? Waarom denk je dat? Welke vorm zou deze uitslag krijgen als je hem in elkaar vouwt? etc.
Vouw enkele uitslagen weer tot doosjes zodat de kinderen zien dat je van een plat stuk karton een doosje kan maken. Laat de kinderen tijdens de werkles zelf “kapotte” doosjes weer heel maken.
Tangrammen, mozaïek en vouwblaadjes
Laat kinderen figuren leggen met mozaïek of laat ze vlakken opvullen door vormen uit vouwblaadjes te knippen.
Spiegelen, symmetrie en transformeren
Ontdekdoos spiegelen
Maak een ontdekdoos met allerlei materialen om te spiegelen. Denk hierbij aan:
spiegels, groot en klein, vergrootspiegel, lepel, 2 spiegels die in een hoek aan elkaar zijn getapet, blokjes en ander materiaal om te spiegelen, autospiegel, tandartsspiegel.
Doel: de kinderen laten experimenteren met spiegels, waardoor ze leren dat je met spiegels kunt verdubbelen als je in de spiegel kijkt. Je kunt ook dingen zien die je anders niet ziet, zoals jezelf.
Meer suggesties voor ontdekdozen op:
http://www.jufjanneke.nl/de%20ontdekkast.htm
Ook in het kleuterdoeboek “Handen uit de mouwen” staan enkelen uitwerkingen van leuke ontdekdozen (bijv. magneten en water&zeep).
Licht en schaduw
Ontdekdoos licht&schaduw
Ook licht en schaduw is een zeer geschikt onderwerp om mee te experimenteren. Hier heb je voor nodig: een zaklamp, doorzichtig, gekleurd papier, een pot met water, een ontdekdoos met 2 gleuven aan de zijkant waar de lichtstralen van de zaklamp doorheen kunnen vallen.
Kijk voor proefjes met licht op:
http://www.proefjes.nl/lijst.php?categorie=licht
Meetkundige verhoudingen
Hokken voor dieren
Welk hok is voor welk dier? Bouw met blokken hokken voor dieren. Hierbij is het belangrijk te letten op de grootte van elk dier. Hoeveel ruimte heeft het dier nodig, hoe groot is het dier etc.
Hoe groot ben jij?
Hang een stuk behangrol op de deur. Hier gaan de kinderen om de beurt tegenaan staan. Meet alle kinderen op die manier.
Doe in de kring een activiteit waarbij je de lengte van kinderen vergelijkt. Kies 2 kinderen uit en vraag hoe we nu kunnen zien wie het grootst is? En wie is het grootst van de hele klas? Hoe kunnen we dat te weten komen? Wie is het kleinst? Kunnen we een rij maken van groot naar klein? Etc.
Madurodam
Zoek dingen in de klas die in het echt groter/kleiner zijn. Waarvan de verhoudingen dus niet kloppen. Hiermee kun je een mini-stad maken. Denk aan: dieren, auto’s, huizen van lego, playmobil.
Vooraan en achteraan
Zet de kinderen in een treintje en behandel de begrippen vooraan en achteraan. Wanneer dit makkelijk is, kun je ook "in het midden" behandelen. Laat de kinderen rijen maken met voorwerpen. Geef daarbij opdrachten: zet de auto vooraan, zet de blok achteraan.
Als afsluiting kun je met de kinderen een liedje zingen over een bus of trein. Laat de kinderen hierbij in een trein door de klas lopen. Wie loopt voorop? Wie loopt achteraan? Herhaal deze begrippen vaak.
Boekentips
Jonge kinderen leren rekenen - Tussendoelen Annex Leerlijnen door het TAL-team.
In dit boek staan de leerlijnen beschreven voor het jonge kind, van de voorschoolse periode t/m groep 4. Daarnaast staan er een aantal voorbeelden en ideeën voor activiteiten in het boek die bruikbaar zijn in je eigen groep.


Spelend rekenen met peuters en kleuters
Spelend rekenen slluit aan bij de behoefte van leidsters en leerkrachten om de reken-wiskunde ontwikkeling van kinderen door spel te stimuleren. De rekenroutines kunnen binnen elke visie of werkwijzen worden ingezet.

De mooiste vis van de zee leert tellen - Marcus Pfister

Er was eens een muisje - Gitte Spee

Een gat in mijn emmer - Ingrid en Dieter Schubert
In dit boek komen bouwen en construeren en het ontwikkelen van een maat naar voren. Beer wil de platen water gaan geven, maar ontdekt dat er een gat in zijn emmer zit. Hoe lost hij dit op?

Ik wil die! - Imme Dros en Harrie Geelen
Ella mag nieuwe schoenen gaan kopen. Ze kiest veel te kleine schoenen uit. Dit prentenboek kan aan een activiteit over meten gekoppeld worden.
Waar is Dikkie Dik? - Jet Boeke
Dikkie Dik speelt verstoppertje. Hij telt tot 10 en later tot 20.

Educatieve rekenspelletjes
Onderstaande spelletjes zijn goed voor het inzicht. Het zijn echte denkspelletjes. De spelletjes bevatten opdrachtkaartjes die de leerling moet voltooien. De kaartjes zijn er voor beginners, gevorderden en experts. De spelletjes kunnen door één leerling gespeeld worden, maar natuurlijk kunnen meerdere leerlingen hier ook samen aan werken. Laat de hersens maar eens kraken en pas op dat je niet aan deze spelletjes verslaafd raakt!
De spelletjes zijn te vinden op internet (typ de naam van het spelletje in bij Google) en te koop in bepaalde (speelgoed)winkels.
- Rush hour: rijd de rode auto van het spelbord. De overige auto's mogen alleen verschoven worden, niet opgetild!

- Rush hour Safari, variant op bovenstaand spel, maar dan met dieren i.p.v. auto's.
- Tipover: Het doel van dit puzzelspel is de tuimelaar van de startkrat naar de finishkrat te helpen, zonder dat hij moet springen of de grond raakt. Je moet daarbij gebruik maken van het kantelen van de kratten.
- River Crossing: door het handig verleggen van planken de wandelaar naar de overkant van de rivier brengen.

Hide&Seek: Laat precies de aangegeven dieren uit het oerwoud komen, niet meer en niet minder.Bij dit spel zitten opdrachtkaartjes die aangeven welke dieren tevoorschijn moeten komen.

[ terug... ]

Ads door Google
Nieuws
- * Nieuw: Extra uitdaging en JUNGLE!
* Nieuwe activiteiten bij de "speciale dagen"
Naar iets op zoek? Gebruik de zoekfunctie linksonder! Ook thema's die nu niet op de site staan zijn zo te vinden (lente, Sint etc.).
Klik hier en dit wordt je startpagina!
Post!
Ik zou het leuk vinden als u een berichtje achterlaat!
Zie boven bij gasten. Hieronder kunnen alleen korte berichten! Dankjewel! Groetjes Anke